085 4011 274 info@parell.nl

blog

Mijn collega heeft geen bureau

Geschreven door Eric de Kruik - partner bij Parell en programmamanager energietransitie in Rheden

Op een netwerkschijf staat een Excel-bestand. Negenenzestig rijen, één per project, en een kolom "status" die niemand bijhield, omdat niemand wist wie hem moest bijhouden. Het bestand heette al vier jaar "tijdelijk". Ik ken weinig dingen die zo blijvend kunnen zijn als een tijdelijk bestand.
Op een avond beschreef ik aan een taalmodel wat ik eigenlijk echt wilde. Niet in code, want ik kan geen code schrijven, maar gewoon in het Nederlands: ik wil graag een tool met daarin een lijst van projecten, met contactpersonen, notities, wie wat mag zien, enz., enz. Het model stelde vragen terug. Wat is een project precies? Mag iedereen alles zien? Wat gebeurt er als iemand vertrekt? Goede vragen. Ik had ze mezelf nooit gesteld, en het Excel-bestand ook niet. Een paar avonden later stond er een werkende applicatie op mijn laptop. Negenenzestig projecten, contactpersonen, rollen, notities. Wel nog met fictieve data overigens.
Ik ben geen programmeur. Ik ben het nog steeds niet. En dat is precies waar dit over gaat.

Samen

Het was lastig om de juiste beschrijving te geven. "AI deed het werk" is niet waar: ik heb elke beslissing in het programma genomen, ik weet waarom de rollen, taken, QA’s, scenario’s, beslisbomen en Doelen-Inspanningen-Netwerken zijn zoals ze zijn, ik heb tientallen keren gezegd: "nee, zo niet, wat ik wil is …", soms met de zin erachteraan: "luister nu eens even en doe een keer wat ik zeg". "Ik deed het werk met een hulpmiddel" is ook niet waar, want een hulpmiddel stelt geen vragen terug. Het dichtst in de buurt komt: we werkten samen. Ik wist wat de tool moest gaan doen en waarom. Het model wist hoe je dat kon bouwen. Geen van beiden had het alleen gekund.
Sindsdien noem ik het een collega. Een rare collega, dat wel. Hij heeft alles gelezen en zelf niets meegemaakt. Hij is nooit ziek en haalt nooit wat te drinken. Hij weet niet waar Arnhem ligt en doet alsof hij het wel weet, tot je doorvraagt. Hij weet nooit precies hoeveel tijd er echt is verstreken. Hij heeft geen bureau. En hij is, sinds die avonden, bij het meeste wat ik schrijf op de een of andere manier aanwezig. Gek overigens hoe je toch soms kunt gaan schelden op een “machine”.

De belangrijkste vraag die hij stelde, ging trouwens niet over techniek. "Wie is de uiteindelijke eigenaar van een project en hoe wordt dat bepaald?" In vier jaar Excel had niemand die vraag beantwoord, en dat was precies waarom de kolom "status" leeg bleef. Het was nooit een dataprobleem geweest. Het was een eigenaarschapsprobleem, en het model had het in tien seconden gevonden door gewoon te vragen wat het moest weten om iets te kunnen bouwen. Mijn collega's die over datavolwassenheid schrijven, hebben gelijk: zonder afspraken over wie waarvoor verantwoordelijk is, worden geen goede keuzes gemaakt, met of zonder AI. Ik zou er alleen aan toevoegen dat je die onvolwassenheid soms het snelst vindt door te beginnen. Het model stelde mij zijn beste vraag op de eerste avond, niet aan het einde van een implementatietraject.
De eerste maanden was ik vooral aan het knippen en plakken. Vraag stellen, antwoord kopiëren, ergens neerzetten, kijken of het werkt, foutmelding terugplakken. Ik was het doorgeefluik tussen het model en mijn computer. Toen dat wegviel – de gereedschappen werden beter, het model kon meer zelf – bleef er iets over dat ik niet had verwacht. Alleen nog het gesprek. Wat wil je? Waarom? Wat als dit niet klopt? Heb je hieraan gedacht? Ben je eerlijk over je reden? Klopt je vooronderstelling wel? Het typen bleek nooit het werk te zijn geweest. Het beslissen was het werk. En dat gold, merkte ik langzaam, niet alleen voor code, maar voor het hele plan. Mijn conclusie:

"De belangrijkste AI-vaardigheid is weten wat je wilt"

Bekentenis

Nu de bekentenis, want dit stuk staat op persoonlijke titel en dan mag dat.
Ik vertel gemeenten dat verwerking binnen de EU een voorwaarde is voor alles wat niet openbaar is. En dat we toch sowieso meer Europese software zouden moeten gebruiken. En ik meen dat. En toch typ ik dit in een Amerikaans programma (Word) en verwerk het met een Amerikaans AI-model op een Amerikaanse computer. TNO telde eind 2025 bij de overheid 44 toepassingen die op Amerikaanse modellen draaien en twee op Europese. Wie zegt dat hij alleen met Europese modellen werkt, werkt óf met die twee, óf simpelweg niet met AI. Tja, en dan voel ik me ook weleens schuldig, maar ik vind het ook lastig om met een taalmodel te werken dat simpelweg minder goed is. We hebben nog wel wat werk te doen in Europa.
Wat ik wél kan zeggen, is wat erin gaat en wat niet. Openbare stukken. Eigen tekst. Geen persoonsgegevens, geen vertrouwelijke bijlagen, geen dossiers van inwoners. Dat is geen principe dat ik ergens heb gelezen; het is een gewoonte, ontstaan doordat ik weet wat er aan de andere kant van de knop zit. En daar zit voor mij de kern. Je kunt alleen bepalen wat kan, wat niet kan en wat mag, als je eerlijk bent over wat je nu al doet.

Kwaliteit

Mensen vragen me vaak hoeveel tijd het scheelt. Het eerlijke antwoord is: soms veel, soms ook minder dan je denkt, maar dat is niet het punt.
Een paar jaar geleden kon ik een beleidsstuk, voordat het naar het college ging, aan één collega laten lezen, hooguit twee, als ze tijd hadden. Nu laat ik het lezen door een jurist, een financieel adviseur, iemand van participatie, en iemand die het in vijf zinnen aan een inwoner probeert uit te leggen en daarin faalt op precies de plekken waar mijn stuk te vaag is. Zeventien perspectieven, als ik wil, op een dinsdagavond. Geen van die zeventien is een mens. Ze maken allemaal fouten. Maar het levert wel een schat aan inzichten op, die ik ook altijd controleer op juistheid en bronnen. En het stuk dat daarna naar het college gaat, is beter dan wat ik alleen had gekund.
Dat is geen efficiëntie. Dat is kwaliteit die ik vroeger niet kon bereiken of me niet kon veroorloven.
De keerzijde ken ik ook. De verleiding om alleen de samenvatting te lezen in plaats van het stuk. Om af te tekenen wat er goed uitziet. Maar ik heb mezelf één regel opgelegd en ik houd me er toch niet altijd aan: ik lees wat ik verstuur of onderteken. Zoals enkele weken geleden: een stuk geschreven en helemaal gecontroleerd, alleen moest het nog met andere kopjes en in de huisstijl. Even snel laten doen met een taalmodel en verstuurd. Je raadt het al: ook de inhoud was (ongevraagd) aangepast en ik kwam er pas achter toen ik wat verrassende vragen kreeg vanuit het directieteam. "De mens in de lus" is geen vinkje of luxe. Het is de vraag of je aan een raadslid kunt uitleggen waarom het zo staat, en dat kan alleen als je het zelf gelezen hebt. Het enige wat ik kon doen, was vertellen wat ik had gedaan (of beter: wat ik had verzuimd), mijn excuses aanbieden en opnieuw beginnen.

Geletterd

Ik heb geen certificaat AI-geletterdheid. Ik heb wel een logboek vol fouten en leermomenten. Zoals Edison al zei: “Ik heb zoveel manieren uitgevonden waarop een gloeilamp niet werkt.” Een subsidieregeling die het model verzon en die niet bestond. Een berekening die er indrukwekkend uitzag en fout was. Een prachtige alinea over een wet die inmiddels was gewijzigd. Elk van die fouten heeft me meer geleerd dan een e-learning had gekund, om dezelfde reden dat niemand leert fietsen in een e-learning. Je moet vallen en opstaan.
De VNG schreef er deze zomer iets moois over: AI-sessies zitten vol, waar een Word-training leeg blijft. Mensen komen uit zichzelf. Ze willen het niet uitgelegd krijgen, ze willen het doen, en ze willen dat iemand meekijkt. Sinds de Digitale Omnibus vraagt de AI-verordening ook niet meer om een gegarandeerd kennisniveau, maar om maatregelen die de ontwikkeling van geletterdheid ondersteunen. Dat is toevallig precies wat het is: een ontwikkeling. Geen diploma, maar praktijk. Je bent geletterd zolang je leert.

De zaal 

In elke zaal waar ik over AI spreek, stel ik dezelfde vraag: wie weet welke AI-systemen jullie organisatie op dit moment gebruikt? Dan wordt het stil. Dan noemt iemand Copilot. Dan zegt iemand anders: de chatbot op de website, maar die is van de leverancier. Dan lacht de zaal, een beetje ongemakkelijk, omdat iedereen aanvoelt wat het antwoord is.
Het gebeurt al. Dat is geen waarschuwing, het is een beschrijving. Ruim de helft van de ambtenaren gebruikt AI op eigen initiatief, zonder richtlijnen. Wie nu pas begint na te denken over afspraken, is te laat om het te voorkomen – en precies op tijd om het in beeld te brengen. Eerst kijken wat er draait. Dan afspreken wat echt niet kan.

Begin

Parell, het bureau waar ik partner ben, schreef in zijn AI-visie een zin die ik zelden van een adviesbureau lees: wij staan aan het begin. Ik ook. Ik heb ondertussen diverse tools gebouwd, aardig wat avonden met een model gepraat, en meer fouten gezien dan ik hier kwijt kan. En ik sta dus aan het begin. Dat is niet erg. Het is de enige positie van waaruit je nog iets leert.
Mijn rare collega heeft alles gelezen, maar begrijpt feitelijk niets van mijn werk. Ik heb lang niet alles gelezen, maar ik ben de professional in mijn werk. Daarom werken we samen. Al geldt ook hier baas boven baas, en ligt de eindredactie bij mij.

Geschreven door Eric de Kruik - partner bij Parell en programmamanager energietransitie in Rheden

Benieuwd hoe zo'n samenwerking er voor jou uit zou kunnen zien?